Dag 9 – deel 2: de finish

Tijdens de lunch kalmeren de gemoederen al snel als blijkt dat we nog maar zo’n vijf kilometer hebben af te leggen tot de finish. Vijf kilometer die over de hoofdweg zullen gaan, die we als één grote groep zullen fietsen (ja, dit keer echt!) en waar we begeleid zullen worden door de politie. Wel zo veilig op een drukke, Keniaanse snelweg, waar de verkeersregels iets minder nauw worden genomen als bij ons in Nederland.

Eerst nog de lunch, die er nu natuurlijk wel in gaat. En wachten op de politie, wat nog wel even kon duren. Ik heb dus rustig de tijd om die lekke band te vervangen. Al heb ik inmiddels best wat lekke banden gehad, dat allerlaatste stukje, het laatste stukje buitenband weer in de velg krijgen, dat lukte me nog steeds niet. Gelukkig was Sabine er om haar billen in de strijd te gooien (haar eigen woorden) en floep, daar zat ie. Nog even pompen en weer klaar voor vertrek. Al voelde die band, toen we daadwerkelijk gingen vertrekken, toch echt zachter dan na het oppompen. Dus nog snel nog een keer pompen en dan op voor het laatste stuk.

Net als ik heeft ook Silke een band die ze niet vertrouwd. We besluiten daarom vrij vooraan te fietsen zodat, áls het mis gaat, iedereen direct ziet dat we pech hebben. Bij mij is het mijn achterband en omdat we vooral naar beneden gaan en ik dus niet hard hoef te trappen, sta ik de halve weg richting weeshuis op de trappers. Want, zo denk ik, dan staat er minder gewicht op die achterband en heeft die minder te lijden. Het ziet er trouwens super vet uit, die trein met fietsers, allemaal strak in hetzelfde tenue, die achter me fietsen!

Na een paar kilometer fietsen zien we ineens een groep enthousiaste kinderen met een paar volwassen staan. Ze staan aan de kant van de weg en vormen een erehaag. Als we de hoofdweg afdraaien en al high-fivend door deze haag fietsen zien we ook daadwerkelijk de finishvlag hangen: we zijn er! Hand-in-hand en een half overwinningsgebaar makend, gaan Silke en ik de finish over en draaien we het terrein van het weeshuis op. De kids en de papa’s en mama’s volgens ons razendsnel, want er moet natuurlijk gezongen worden!

Als ik m’n fiets heb weggezet en afgestapt ben, staat Hellen jankend naast me. Ik geef haar een dikke knuffel, maar heb zelf eigenlijk hetzelfde gevoel als na alle andere dagen: “zo, we zijn er”. Maar ik weet natuurlijk dat we de finish gehaald hebben en ik ben super trots op iedereen. Dus, dat knuffelen dat gaat gewoon door. Net als het zingen en dansen, dat zich naar binnen verplaatst. Blanke, stijve Nederlanders staan te dansen met Kenianen die, zo het lijkt, geboren zijn met dans en zang in hun lijf. Mooi schouwspel! En dan komen ze wel hoor, die tranen. Muziek is emotie? Het begint nu ook echt door te dringen dat het klaar is. Dat waar we negen maanden naartoe hebben geleefd, zo hard voor hebben gewerkt, de afgelopen negen dagen samen op de fiets, lachend en huilend, door een ontzettend bijzonder landschap waar we met eigen ogen hebben gezien hoe erg dat water het leven van de mensen beïnvloedt. Wat een bijzondere reis hebben we met elkaar mogen meemaken en wat bijzonder om het zo af te sluiten.

Dag 9 – deel 1: de man met de hamer

Zoals we gisteren eindigden, zo gaan we vandaag verder: naar beneden en flink ook. Bovendien staat volgens het routeboek nog voor de koffie een écht serieuze afdaling (met daarin een maximale helling van 15%) op het programma. Oftewel, het kan niet anders dan dat dit een hele mooie dag gaat worden. Achterin de groep begin ik vandaag, maar al na de eerste 3 km ben ik vrijwel vooraan te vinden. Annabeth vindt dalen überhaupt al niks en is dit eerste stuk niet opgestapt, maar ook bij sommige anderen zie je de angst en de krampachtigheid die daardoor ontstaat er vanaf, terwijl ik ze soms op wel dubbele snelheid voorbij kom. Hoe herkenbaar overigens ook. Zet je mij op ski’s op een zwarte piste dan beslaat het angstzweet me en maak ik het me juist daardoor veels te moeilijk. Op de fiets echter… daar ken ik geen angst (wel m’n grenzen) en kan ik van zo’n afdaling niks anders doen dan genieten.

Na deze 3 km slaan we af en begint er weer een klim- en daalfestijn. De beste ervaringen de afgelopen week waren de dagen waarop ik in m’n eigen tempo ging fietsen en dat is wat voor vandaag ook het plan de campagne is. Hartslag zo veel mogelijk constant houden en gewoon blijven trappen. Dat werkt prima. Jan bijt zich er op vast, nadat hij (door competitiedrang gedreven?) me de eerste klimmetjes steeds hijgend voorbij knalt, maar me dan in de afdaling vanzelf weer ziet verschijnen. Op een wat langer klimmetje lukt hem dat namelijk niet meer en kom ik een groepje met Silke, Tim en Bertie te fietsen. Dat gaat heerlijk, totdat daar stiekem toch ineens de man met de hamer voorbij komt. Gelukkig was het er eentje met een kleine hamer, want na een halve fruitkick gegeten te hebben gaat het weer prima. Silke, Bertie en Tim zijn inmiddels uit het zicht, maar dat maakt helemaal niet uit. Het is hier weer schitterend mooi en doet voor mijn gevoel Amerikaans aan.

En dan is ie daar, die fantastische afdaling. Het gaat hard en helaas moet ik in de remmen; door al het gehobbel vliegt m’n bidon uit de bidonhouder en die maar gewoon achterlaten is ook zo wat. Het uitzicht is adembenemend, maar de adrenaline die in m’n lijf zit staat het me niet toe om net als Bertie, die ik zie genieten in een bocht, stil te gaan staan. Als ik, bijna weer in het wiel van Tim en Silke, beneden ben staat de koffie ons klaar. Daar zie ik mijn eigen adrenalinekick in de ogen van Silke staan. DIT WAS VET!! Helaas kregen we Eric niet zo ver om onze fietsen op de jeep te binden, ons naar boven te rijden en ons dan weer te laten gaan. Je zou er wat ons betreft zo een attractie van kunnen maken, echt, echt gaaf deze afdaling. Dan maar een keer naar Frankrijk om daar in de zomer van de pistes af te racen is het plan.

In de afdaling kwam ik ook langs Ernst, Tijs, Patrick en Steven, die bezig waren met de lekke band van Ernst. Gisteren werd er nog even voor de hele groep verkondigd dat er maar twee mensen waren zonder lekke band: Ernst en Nurcan. Nu moest Ernst er, nadat hij al vele stekels wist te “overleven” omdat hij op latexbanden rijdt, toch ook aan geloven. Nieuw bandje er in.  Als ook Nurcan en Teun zich bij de koffiestop melden wordt het helemaal mooi: Nurcan had een lekke band en Teun gelooft er dan ook niks van dat er geen sprake is van kwaad spel.

Als de eerste helft van de groep op de fiets zit, stap ik ook weer op. Waar het de dagen hiervoor heel vaak een opeenvolging was van kleine klimmetjes, waren we er nu op voorbereid dat we vanaf nu vals plat naar boven zullen moeten. Dat betekent dus: in m’n eigen tempo fietsen. Dat lukt perfect, ik raak in een flow en fiets de een na de ander voorbij. Zuchtend en steunend zitten ze op de fiets, ze zijn aan het ploeteren en als er een grote boom met de bijbehorende schaduw staat, kijkt die hen wel heel aanlokkelijk aan.

Als ik me bij Ernst en Ruud meldt, blijk ik ineens vooraan te fietsen. Heeft iedereen het dan echt zo zwaar? We gaan samen verder, maar die weg gaat en gaat maar door. Zitten we wel goed? De route is niet de route die op de GPS staat? We hebben al meer kilometers op de teller staan dan de afgespreken kilometers tot de pauzeplek? “Nou, volgens mij kunnen we niks anders doen dan doorfietsen, want ergens afslaan, dat kon helemaal nergens” zeg ik. We fietsen door en ik eet nog even een halve sportreep, want de man met de hamer krijgt vandaag natuurlijk geen tweede kans. Als we de snelweg in zicht krijgen, besluiten we niet meer te twijfelen en gewoon door te fietsen. Ook als we wél verkeerd zitten, dan is die snelweg de weg waar we hoe dan ook op uit zouden komen. Zitten we echt verkeerd dan moeten we maar even bellen en fietsen we via de snelweg naar de rest van de groep.

Gelukkig zitten we goed en wacht er na een ontzettend lange klim (meer dan 20 km achter elkaar ging het echt alleen maar omhoog) daar de lunch. Net op tijd, want ik heb lek gereden en Eric kan me nog net op tijd opvangen als ik stil kom te staan, maar m’n voeten niet los krijg. Langzaam maar zeker komt vervolgens ook de rest binnen druppelen. Vloekend en tierend. “De lunch zou veel eerder zijn!” “Wat een ontzettende ##&*$@$(&-weg!” En nog heel veel dingen die niet voor herhaling vatbaar zijn. Als we nu naast een ravijn hadden gezeten had ik zeker weten m’n best moeten doen om een paar fietsen van een zekere dood te redden. Het kan haast niet anders dat die man met de hamer de dag van z’n leven heeft gehad.

(to be continued)

Dag 8: Ngong

De route begint vandaag op een soort van crossbaan en ik ben dan ook meteen in m’n element. Dit is leuk fietsen! De directe omgeving is bovendien vrij vlak, kaal en onaantrekkelijk, dus het is fijn dat het fietsen zelf zo’n pretje is. Na 10 km slaan we rechtsaf een asfaltweg op, waar ik weer aanhaak bij Bertie en Silke. Er staat veel wind en zoals dat inmiddels ook eigenlijk niet meer anders kan, het gaat weer op en neer. Vandaag echter, vinden we met z’n drieën geen goede balans, en wat ben ik blij als ik achter mij Ernst weer hoor roepen “Aanhaken, Astrid!”. Ik was aan het ploeteren, maar nu word ik in het wiel van de mannen meegezogen. Ernst, Tijs en Steven doen er alles aan om de trein, met ook Jan, Sven, Wick en Patrick erin, samen bij de koffie te krijgen. Wat een schatten, want iets voor hen betekenen, op een gezellig praatje na, dat zit er toch echt niet in.

Na de koffie sluit ik maar wat graag weer bij de mannen aan. Er staat een flinke wind en alles wat ik bij hen in het wiel mee kan komen is mooi meegenomen. Het asfalt gaat over in een grijze, stoffige grintweg, waar je goed moet opletten waar je fietst. Dit betekent ook dat de nette waaier uit elkaar valt. Het lukt nog een tijd om bij Patrick in het wiel te blijven en zo uit de wind te zitten. Dat gaat op een gegeven moment toch mis en als er zich dan ook nog een pittig klimmetje aandoet, moet ik de mannen laten gaan wil ik mezelf niet compleet opblazen.

Ik ga op zoek naar mijn eigen fijne tempo en als ik dat gevonden heb fiets ik langzaam maar zeker naar Sven toe. Ook hij had de snelle mannen op hetzelfde pittige klimmetje moeten laten gaan. Waar Sven elk klimmetje aanzet en dan op de afdalingen de benen stil houdt en wat bijkomt, doe ik dat juist niet. Ik probeer mijn hartslag een constant te houden en dat betekent dat Sven mij op de klimmetjes voorbij fietst, maar dat ik hem in de afdalingen weer voorbij ga. Op deze manier, met de klimmetjes die maar niet op lijken te houden en na elke afdaling weer opdoemen, op een weg waar ik eigenlijk liever niet zou fietsen (saai, dor, af en toe met wat onguur volk er op) weten we samen bij de lunch te komen.

Na de lunch sluit ik weer aan bij de snellere mannen en fietsen we samen naar Ngong. Als we hier binnenfietsen verandert direct de sfeer. Het voelt grimmig aan en ik voel me er alles behalve prettig bij. Ik ben maar wat blij dat die mannen er bij zijn, maar omdat ik er wel een beetje achter hang, zet ik even aan zodat ik écht bij ze ben. In het centrum aangekomen maken we een stop om te pinnen. Daar heeft de chef ons gezien en komt naar ons toe om het vervolg van de route te vertellen. Al snel sturen wij hem terug naar zijn jeep, want hij staat in een bocht geparkeerd en daar lijkt de politie-agent die er bij staat het niet geheel mee eens: rijbewijs inleveren en kom je maar verantwoorden op het politiebureau. Wij zijn inmiddels iets verder gefietst om een lekkere cola te kopen, en daar kan hij gelukkig nog wel even stoppen (op een verantwoorde manier) om ons die route te vertellen. Wij wachten vervolgens op de rest zodat ook zij straks weten waar ze heen moeten.

Als de volgende groep ons tegemoet komt fietsen, is duidelijk dat zij inmiddels de route weten. Dus kunnen wij ook rustig opstappen en de laatste kilometers van vandaag op de teller zetten. DIt laatste stuk naar de camping (ja, een echte camping), gaat vooral naar beneden. Er zitten nog een paar klimmetjes in, maar samen met de mannen vlieg ik daar overheen. Als de weg overgaat in een zandweg en er een serieuze afdaling opdoemt… dan vlieg ik helemaal vanzelf. Na een paar minuten is het helaas klaar met de pret, want we zijn er en moeten hard in de rem om niet de camping voorbij te schieten. Dat het op het laatste best hard ging blijkt wel uit het feit dat we nog een kwartier moeten wachten op de rest, terwijl het echt maar een paar kilometer fietsen was vanaf het punt waar we samen vertrokken zijn. Dat blijkt ook uit de opmerking vanuit de jeep die ons dat laatste stuk niet bij kon houden: “You guys were too fast. You were flying, even her!”  (Net alsof een vrouw niet keihard naar beneden zou kunnen fietsen!)

Samen met Bas, Tijs en de met ons meereizende politie-agent maak ik nog een tripje naar het politiebureau van Ngong. Geld, een camera en mijn telefoon zijn gestolen en moeten aangegeven worden voor de verzekering. Je kunt er misschien veel bij bedenken, maar dit is hoe het ging. Peter, onze agent, wordt vrijwel meteen te woord gestaan en samen met ons en een agent van het bureau wordt het verhaal in de boeken gezet. Daarna gaan we naar een kantoortje en worden de individuele aangifte-formulieren voor ons ingevuld door een agente. Er wordt gezellig gebabbeld, de agente laat zien dat ze bijna op computers over stappen en al vrij snel hebben we onze papieren. Het verloopt dus allemaal vrij soepel en ik denk dat Peter’s aanwezigheid daar een belangrijk aandeel in heeft.

Zoals je misschien tussen de regels door leest: de route van vandaag is niet om aan te bevelen bij familie en vrienden. Kaal, dor en grijs. De sfeer van geld, macht en de bijbehorende misstanden hangen in de lucht. Het kamp is een echte toeristische plek, waar je luxe tenten kunt huren en waar een groep jonge, rijke Kenianen een drankspelletje aan het doen is. Na alle mooie, pure mensen die we in het binnenland zagen, die (bijna) allemaal vrolijk “Jambo” riepen, die nieuwsgierig waren en altijd behulpzaam waren ongeacht hoe slecht hun eigen leefomstandigheden. Na alle rode zandwegen, schitterende uitzichten, giraffes, zebra’s en struisvogels. Na uren, en uren te fietsen op vrijwel lege wegen… Het voelt een beetje misplaatst, deze route en dit kamp.

Dag 7: struisvogels en een berggeitje

Hieperdepiep hoera! Sven is vandaag jarig en dat wordt gevierd met ballonnen, een zangende keuken-crew, taart én lekke banden. Toch weer! Zelf heb ik ook die mazzel en zo is het dat ik met de laatsten het kamp verlaat. Dat zijn, zoals dat inmiddels vertrouwd is, Nurcan, Bert en Teun, maar voor vandaag ook met Tony, Marc en Hannie.

Het fietsen is inmiddels routine, maar wel een routine die bij elke nieuwe keer opstappen wat moeizamer herkend wordt door onze lijven. Op het zadel gaan zitten is een pijnlijke kwestie en ook zijn er veel benen, kniën, schouders, ruggen en soms eigenlijk complete lichamen die het er niet helemaal mee eens zijn. Bij mij valt het met een beurs zitvlak (dat eigenlijk niet beurser is dan ik ook wel eens van een gewone dag in Nederland heb gehad) en zeurende voeten door de druk op de schoenplaatjes wel mee. Als ik zie hoeveel diclofenac er geslikt wordt en hoor hoe sommigen de hele dag rochelend en hoestend op de fiets zitten… dan mag ik niet klagen.

Dat doe ik dan ook niet. Al helemaal niet als ik ineens in m’n rechter ooghoek iets zie bewegen en er twee struisvogels voor me langs schieten. Ze waren al veel gezien, die struisvogels, maar niet door mij. Bijzondere beesten! Natuurlijk gaan we op de rem om ze eens goed te bestuderen en dan ziet Hannie ook nog giraffes. Wat is het toch bijzonder om hier te mogen fietsen!

De koffiestop is naast een met water gevulde rivierbedding en het daar op af komende vee. We zijn op de fiets al veel vee tegengekomen. Schapen, geiten, koeien en ezels, het loopt er allemaal rustig rond. Vaak zonder dat er een mens bij loopt. De jongens van de crew vertellen ons dat al dit vee wel een eigenaar heeft, maar dat ze zelf weten waar ze water kunnen vinden en dan wel weer terugkomen. Dat ze hun eigenaar kennen en daarin zelfs heel eenkennig zijn. Nadat zij half spelend, half drinkend klaar zijn, stappen wij ook weer op de fiets.

Het zijn Sjacco, Tim en Sven met wie er nu een mooi groepje ontstaat. De weg bestaat uit een boel klimmen en dalen. Uit zebra’s spotten. We komen door een dorpje waar het duidelijk is dat afvalscheiding iets is wat ze niet kennen. Er zitten een paar heerlijke afdalingen in waarbij ik los ga. De lekke banden, die zijn er even niet. En na 60 km staat, net voor een rivierbedding (ditmaal een droge), de lunch voor ons klaar.

Na de lunch (hij was héérlijk – zie je de pretoogjes?) haak ik bij Bertie en Silke aan. Dat blijkt iets wat ik misschien eerder had moeten doen. Silke en ik fietsen heerlijk gelijk op. Samen met Bertie vinden we daarnaast nog een andere balans: naar boven raken we haar kwijt (ik heb haar vandaag tot ons berggeitje gedoopt), maar naar beneden, dat vindt ze niet zo leuk. Silke en ik daarentegen wel, en zo zijn we na elke afdaling weer met z’n drieën bij elkaar. Het fietsen, op en neer, en op en neer, en op en neer, is zeker niet gemakkelijk vandaag, maar zoals dat bijvoorbeeld ook in Limburg is, je krijgt er schitterende uitzichten voor terug.

Na 70 km zijn we op het kamp, een schoolterrein dit keer. Het zijn simpele betonnen gebouwen, die daarmee dus heerlijk koel blijven. Ik zoek mijn heil in één van de gebouwen, en samen met Tony en Ernst, liggend op een matrasje, wordt er ontzettend genoten van de binnenkant van onze oogleden. Wat lekker is dat (en wat was het een goed idee geweest dat de voorgaande dagen ook gedaan te hebben). Als het begint te schemeren staan de douches pas en dat betekent dat we vandaag dus nog sneller douchen dan normaal. Niet alleen omdat iedereen wil douchen voordat het echt donker is (nou ja, iedereen, sommigen hadden de douche al opgegeven en hebben zich met natte doekjes “gewassen”) , maar ook omdat het, nu we best wel hoog zitten, op een vlakte waar de wind lekker rond raast, het koud begint te worden. Wat die hoogte, het feit dat het helder is en het feit dat we ver van echte lichtbronnen afzitten ook betekent: dat we wat later een sterrenhemel zien, zoals we die nog nooit gezien hebben. Wauw!

Dag 6: mee met de snelle jongens

Zonder ezels, hanen en tegen de tent aan zwiepende takken was het vannacht ontzettend rustig op het kamp en dat betaalt zich uit: wat heb ik ontzettend lekker geslapen en wat heb ik er zin in vandaag! Al helemaal als blijkt dat tentgenootje Sophie, nadat ze gisteren door zonne-allergie niet kon fietsen, er vandaag ook weer tegen aan kan.

Na het ontbijt haal ik m’n telefoon van de oplader, leg deze op m’n bed en ga de bidons vullen. Terug in de tent ga ik mijn kleine rugzakje inpakken en als ik m’n telefoon weg wil stoppen is deze er niet meer. Hé?! Zit ie dan nog in m’n broekzak? Nee. Is ie in de grote reistas gevallen toen ik de lader weg stopte? Nee. Huh?! Ik loop nog even op het kamp heen en weer, vertel het de jongens, we bellen de telefoon (gaat niet over, terwijl hij wel aan stond), maar zonder resultaat. Als dan inmiddels ook iedereen al op de fiets zit moet ik er ook maar achter aan. Zouden ze nou echt m’n telefoon gestolen hebben?!

Steven, Tijs en Ernst staan op me te wachten en samen gaan we op pad. Met adrenaline in m’n lijf ga ik ze vooruit en trap flink door (wat goed wil gezien het nog steeds die soepel lopende dalende asfaltweg is). Na een paar minuten hoor ik Ernst schreeuwen “Aanhaken Astrid! Aanhaken!” Hij zit achter een motor en dat gaat natuurlijk nóg sneller. Maar ja, deze motorrijder was er niet bekend mee en in plaats van wat af te remmen op het moment ik in de buurt kom, zet hij juist aan. Het snelheidsverschil is daarmee té groot. Het feestje houdt echter al snel op voor Ernst, want als er drempels in zicht komen, ter afremming van het verkeer (we gaan een dorpje binnen), stopt de motor. Ik kan dan bij Ernst aansluiten en al zijn Steven en Tijs ook bij ons.

Als een geoliede waaier scheuren we vervolgens verder in het wiel van Steven. De rest van de groep wordt fietser voor fietser en groepje voor groepje voorbij gegaan. Wind, klimmetjes (ja, ze zijn nooit ver weg hier), het maakt allemaal niet uit, die Steven is niet te stoppen. Op m’n tandvlees kan ik het wiel houden en daarmee dwing ik Tijs hetzelfde te doen. Hij had het soms zwaar, maar kon het natuurlijk niet laten gebeuren dat ik dat wiel wel zou houden en hij niet. Had ik al gezegd dat we aan het racen waren? Als we anderen voorbij gingen konden ze nog net wat naar ons roepen of we waren alweer weg. Toch lukt het Marjolein en Sabine even in te haken, maar op een klimmetje blazen zij zich op (of vinden ze het gewoon niet nodig zo hard te race – groot gelijk). Het is ook puur die adrenalinekick die mij helpt wel in de wiel te blijven. Patrick ziet er wel een uitdaging in ons eerst weg te laten fietsen, om pas dan aan te gaan haken. In z’n eentje, kop in de wind, weet hij een flink gat dicht te fietsen op de snelle waaier van meesterknecht Steven.

Na 30 km is de koffiestop, op een plekje met een fantastisch uitzicht op de Kilimanjaro. Na deze stop besluiten de jongens dat het de komende kilometers wat rustiger gaat. Gelukkig maar, want uit de wind in zo’n waaier zitten bevalt me wel, maar dat nog weer 30 km op dit tempo doen, dat zou ik niet trekken. Zo fietsen we samen met Patrick erbij, en met wildspotter Steven, door naar de lunch. Daar wacht een heerlijke pastasalade, onder een mooie overkapping, met daaronder heuse tafels en stoelen. Het wordt nog luxe hier!

Na de lunch sluit Wick zich bij ons aan en gaan we op voor het onverharde deel van de route. Dat is totaal geen straf, want al direct wordt er een groep giraffes gespot en iets verder staat er een hele grote mooie zwarte giraffe in de berm (wat, zo hoorden we later, dan een ouder mannetje is). Het is ook de weg waar het Patrick en mij duidelijk wordt dat the big four – inmiddels de bijnaam van Steven, Tijs, Ernst en Wick – niet voor niks zo heten. Ze zijn, nu ze ons niet lekker uit de wind kunnen houden, toch echt wat te sterk op de klimmetjes. Maar “samen uit = samen thuis”, dus ze wachten elke keer netjes op ons. Wat gelukkig niet hoeft als het wat naar beneden gaat, of als we op een grote rode vlakte komen (een weg kun je het niet noemen), die bestaat uit harde klei, met scheuren, bobbels en een laag rode stof. Silke merkt ’s avonds terecht op dat het niet had misstaan als er een helikopter boven ons had gevlogen om dit heroïsche beeld vast te leggen. In het wit geklede fietsers, vliegend over het rode wegdek, met een stofwolk achter zich aan. Wat een toffe weg!

Na deze weg is het nog wat geslinger naar ons kamp. ’s Avonds moet daar helaas wel weer de bandenplakfabriek in werking worden gesteld, want in dat allerlaatste stukje, en misschien zelfs wel óp het kamp, zijn er weer heel veel banden gesneuveld. Wél kunnen we hier genieten van een warme douche: HEEEEEEERLIJK!!

Dag 5: de yogaklas van juf Hannie

De vijfde dag is de dag waar ik vanaf het moment dat de route bekend werd tegenop heb gezien. Dit is waarom: “Flink wat hoogtemeters deze etappe, langs de voet van de Kilimanjaro. Het begint met vals plat en langzamerhand wordt het steeds steiler om na 65km op het hoogste punt  uit te komen. Ruim 30km achter elkaar klimmen!” Ernst had het uitgelegd als dat we de lange kant van de Knobbel op zouden moeten, maar dan voor 30km lang. Pfffff….

Mijn plan is dan ook het rustig aan te doen. Gisteren ging het fietsen erg lekker en als ik mezelf niet over de kop fiets moet het wel goed komen vandaag. De stress die andere fietsers hebben, omdat ze voor de hitte uit willen zijn én op tijd over voor de safari die eind van de middag gepland staat, daar heb ik helemaal geen last van. Mee met de safari ga ik niet, mijn slaap is me veel te dierbaar, de hitte had ik gister geen last van en ’s ochtends vroeg stressen daar schiet je naar mijn mening ook niet zoveel mee op. Zo is het dat ik met mijn slaperige hoofd uit de tent kom en nog net de eerste fietsers uit kan zwaaien.

Natuurlijk zijn er meer mensen die niet zo’n haast hebben en samen met Hellen, Nurcan, Bas en Marjolein zit ik in de yogaklas van juf Hannie. Bas fietst snel door als hij dit door krijgt, Jan sluit aan na een lekke band (met wissel-assistentie van twee Masaï) en Teun, Bert en Frans die denken er het hunne van, maar fietsen wel met ons mee. Juf Hannie stopt elke 10 km, een afstand die goed te overzien is, om yoga-oefeningen met ons te doen. De vastzittende schouders en ruggen worden los gemaakt en na ademhalingsoefeningen kunnen we weer met vernieuwde energie de fiets op.

Die pauzes zijn fijn, want het fietsen is vanaf het begin af aan zwaar: wind tegen en een hobbelige weg met veel losse stenen. We nemen het maar voor lief en als we een schitterend uitzicht op de Kilimanjaro krijgen is het al meteen een stuk minder erg. Al helemaal als we snel daarna op een heus fietspad verder kunnen. Die vervelende stuiterweg kunnen we vanaf nu dus rechts laten liggen. Wel betekent dat fietspad dat ik voor het eerst de Afrikaanse bodem een kusje geef. Jan fietst voorop en valt om, Nurcan zit in zijn wiel en gaat met hem mee en als ik er langs probeer te schieten ben ik net niet snel genoeg. Zo liggen we met z’n drieën te giebelen op de grond en te wachten tot Hannie ons van onze fiets weet te scheiden. Door al het stof dat zich inmiddels in onze kleren, neuzen, oren, tenen en poriën genesteld heeft, maar dus ook in alle gaten van onze fiets ínclusief de trappers… zijn deze trappers alleen nog maar met veel kracht los te draaien. Liggend op onze zij is dat een onmogelijke opgave.

Een paar kilometer verder staat de lunch op ons te wachten. Wat een timing van de keuken om vandaag, na al dat klimmen, met een overheerlijke lunch met aardappelsalade en gehaktballetjes te komen. Zoveel complimenten en blije gezichten hebben ze de hele week nog niet gekregen en gezien denk ik.

Na de lunch sluit Dennis, één van de jongens van African Horizons, zich op de fiets bij ons aan. Zonder fietsschoenen, -helm en -kleding, maar wel met een grote glimlach op z’n gezicht. “Ik had zin om te sporten”, zegt ie. De weg komt uit op een brede asfaltweg, maar daar gaat het klimmen gewoon door en wordt het zelfs nog heftiger. Na de hele tijd bij en met de groep gefietst te hebben word ik nu een beetje onrustig en zet ik het gas er op. Als ik boven ben, in een dorpje, is een van onze busjes, degene die op de hoofdweg de hele tijd voor mij uitreed, ineens verdwenen. Dat terwijl er juist hiér allerlei afslagen zijn. “This is Africa” gaat er door me heen en ik fiets maar terug naar de rest én de jeep. Daar kan ik Nurcan helpen op het laatste heftige stuk, lach ik Dennis uit omdat hij aan de spiegel van de jeep hangt, krijgen we vanuit die jeep de juiste route-aanwijzingen en knal ik met Hellen het allerlaatste klimmetje van vandaag op. Als we daar boven zijn zien we een fantastische beloning voor al het klimmen: een mooi lopende dalende asfaltweg. De race-modus gaat nu bij ons allemaal aan en de laatste 10km zijn met een zucht, een scheet en een kleine zebra-spot-pauze zo weggefietst.

Ik ga zelf niet mee met de safari die een uur later weg gaat, maar een heel groot deel van de groep gaat wel. Wat een rust op het kamp! Ik ga lekker douchen (lees: mezelf met een bak met een paar liter water wassen – waar je dus niet écht schoon van wordt) en doe een wasje bij de waterpomp (wat een grote luxe is vergeleken met de andere kampen). Eric, één van de Keniaanse mannen van African Horizons die ons in de jeeps begeleiden, geeft aan dat hij naar de ingang van Amboseli NP zal rijden. Grote kans om olifanten te spotten…. Steven, Hellen, Marjolein en ik twijfelen dus geen moment als hij ons aanbiedt met hem mee te gaan. Meer dan de moeite waard, want we zien inderdaad olifanten, maar ook zebra’s, een giraffe gazelle, een schattige pumba, parelhoenders, apen, impala’s en giraffes. Dat alles met de Kilimanjaro die over ons waakt. Wat is het hier toch mooi!

Dag 4: we’re back!

Dag 4 en ik mag weer fietsen! Jiehaa! Deze dag staat in het routeboek opgetekend als een gemakkelijke dag. Het is een korte route, met weinig klimmen en veel dalen. Daarnaast was het afgelopen nacht een stuk koeler dan op de andere kampen én zijn we nu inmiddels wel geacclimatiseerd denk ik bij mezelf, dus voor de hitte ben ik niet meer zo bang. Laat maar komen dus! Al helemaal omdat we vandaag de route door nationaal park Tsavo West vervolgen en van die weg genoot ik gisteren in het busje al zo!

Die verwachting wordt waar gemaakt, want we zien veel wild: o.a. buffels, dik-dik’s, impala’s, grant’s gazellen en kudu’s. Het maakt wel dat ik bij de plaspauze een paar keer extra om me heen kijk, maar op paparazzi na is er niks aan de hand. Bij de koffiestop is het de Kilimanjaro die voor een adembenemend uitzicht zorgt en weet Steven ook nog de eerste giraffe te spotten: fantastisch!

De weg waar we op fietsen is helaas wat minder fantastisch. Klimmen hoeven we niet, maar de weg is alles behalve glad en je hebt het idee over een trilplaat te fietsen. We fietsen maar gewoon stug door en als de weg op een gegeven moment wat gaat dalen ben ik ineens de groep kwijt. Met weinig moeite weet ik namelijk veel snelheid te maken en zoals mensen die weleens met mij gefietst hebben weten: ik heb geen angst op de fiets en ben in dit soort situaties compleet in m’n element. Dus hoe leuk de groep ook is, ik heb m’n kans gegrepen en heb me heerlijk uitgeleefd. Zo is die vervelende golfplaat-weg iets fantastisch leuks geworden.

Als de weg weer wat vlakker wordt wacht ik op de rest, zodat we samen naar Taveta, dat aan de grens met Tanzania ligt, kunnen. In een paar kilometer zijn we van nationaal park in de bewoonde wereld gekomen. Taveta zelf maakt echter niet zo’n indruk en na het halen van een koele cola stap ik met een groepje weer snel op de fiets. Nou ja, snel… Het is de normaalste zaak van de wereld geworden dat er ineens een lekke band is, en zo ook nu. Ach, we zijn het inmiddels wel gewend dat het telkens anders loopt dan we denken en Teun is er verdraaid handig in geworden, in dat bandjes verwisselen.

Na een paar kilometer staat de lunch klaar en maken we de politiemannen en -vrouw die hier hun controlepost hebben blij met kippenpoten. Zelf heb ik die lekker opgegeten, maar niet iedereen kan het met de inspanningen en temperatuur weg krijgen. We nemen lekker onze tijd, want het is nog vroeg en nog maar 13 km fietsen naar het volgende kamp. De ervaring heeft geleerd dat het kamp nog wel even op zich kan laten wachten, dus dan kunnen we net zo goed hier wachten. Hier zitten we lekker in de schaduw én hebben we een jeep met water en eten bij ons.

Als we aan de laatste kilometers beginnen wordt het om me heen wat stiller. Waar het tot nu toe vlak of naar beneden ging, moet er nu, met de zon die op z’n felst staat te branden, geklommen worden. En dat valt zwaar. Zelf voel ik me erg goed, maar doe ik lekker rustig aan om zo bij deze achterste groep te kunnen blijven. Als de groep wil rusten en afkoelen onder een mooie schaduwrijke boom, wil ik tóch door. Ik zit lekker in m’n ritme, al is het een erg rustige. Al snel zie ik de groep voor ons, zij staan ook te rusten in de schaduw, maar er wordt door Sjacco ook druk geschreeuwd en gezwaaid. Ik begrijp het eerst niet, maar het blijkt dat er veel glas op de weg ligt en daar willen ze natuurlijk voor waarschuwen. Ik besluit naar de achterste groep terug te rijden zodat ik hen kan waarschuwen en de andere groep door kan. En als ik dan toch adem over heb, dan ga ik maar even naast de jeep fietsen om met die jongens daar te kletsen en nog even op en neer te fietsen zodat Maurice een foto kan maken met het typisch Afrikaanse tafereel van overstekende schapen op de achtergrond.

Met energie over bereik ik met deze laatste groep de finish voor vandaag (niet zonder dat er natuurlijk nog een lekke band was – maar in ieder geval niet door het glas) en al snel begrijp ik dat iedereen het vandaag gehaald heeft! Yes!!

Zoals al verwacht is het kamp nog totaal niet opgebouwd, maar wél is er een hele mooie boom die ons van schaduw voorziet én hebben we goede moppentappers bij ons. Met die team-spirit zit het hier wel goed!

p.s. natuurlijk nog weer de Strava-update: https://www.strava.com/activities/255672822

Dag 3: banden plakken, een schitterende busrit en een kijkje in het kamp

Uitslapen was voor vandaag het plan, en dat is redelijk gelukt. Het vroege vertrek van de selecte groep fietsers is mij in ieder geval totaal ontgaan. Na het ontbijt is het tijd om de enorme berg banden te plakken en daar vinden we een mooi systeem met twee bandenplakstations die als volgt te werk gaan: van de pomper naar de gaatjeszoeker en -markeerder, door naar de plakker en dan nogmaals langs de pomper en de bak met water. De meeste banden komen er met meerdere plakkers en meerdere rondjes langs het plakstation eindelijk goed uit (zo hopen we). Daarnaast worden de fietsen, nu er de tijd voor is én het licht is, druk gepoetst, waar nodig bijgesteld en worden de kettingen in de wax gezet. We zijn er een aantal uur zoet mee, maar dan heb je ook wat.

Tijd om de busjes in te laden, de fietsen er op te binden en richting kamp te gaan. Zo soepel als we zelf het banden plakken hadden gedaan, zo Afrikaans gaat het nu. De busjes zijn er uiteraard later dan afgesproken en als er gezegd wordt dat we gaan en we met z’n allen in de bus zitten, kunnen we er tien minuten later weer uit. Dit proces herhaalt zich nog een keer, totdat Bertie en Silke het heft in handen nemen. Gelukkig maar, want anders zouden we halverwege de middag nog steeds bezig zijn met in en uit de bus stappen. Het grootste probleem zat hem in de fietsen die mee moesten. Bertie is zo resoluut om het dak van een auto op te klimmen en het zelf te doen, en ik volg haar voorbeeld op een andere truck. Eerlijk gezegd meer omdat ik de kans op een truck te klimmen niet voorbij wil laten gaan, dan dat ik denk zo’n goede knoper te zijn. Máár, fietsen aanpakken kan ik best en met Marc en Sjacco erbij lukt het prima die fietsen stevig en dankzij karton/matjes/slaapzakken enigszins beschermd op de daken te krijgen.

Eindelijk, eindelijk rijden we dan toch echt en de route voert ons langs een schitterende agave plantage. Een glooiend groen landschap, met van die gekke puntige planten erop, Kenianen druk aan het werk en daar waar de rijke plantage eigenaren wonen staan bomen en struiken in de felste kleuren in bloei. Prachtig. De route leidt ons vervolgens het Tsavo West National Park in, wat ook weer schitterend mooi is. We spotten zebra’s, wildebeasts, grote vogels en ongetwijfeld een heleboel meer dat we door onze snelheid niet eens bewust kunnen opmerken.

Wat ons natuurlijk niet ontgaat zijn witte stipjes op de weg die steeds dichterbij komen. Onze fietsers!! Wat een helden. Het is ongelooflijk heet en op deze weg staat geen enkele boom waar je je tegen de zon kunt wapenen. En zij? Zij fietsen gewoon door, ook al zijn ze verkeerd gefietst, hebben ze pijnlijke billen en materiaalpech waardoor Steven op een veels te kleine fiets verder moet. Joelend zitten we in de bus, geven we ze water, een halve meter schaduw van de bus (de zon staat zo hoog dat er nou eenmaal niet meer schaduw is) en geven ze een peptalk voor de laatste kilometers. Die ze uiteraard prima uit weten te fietsen. Toppers zijn het!! En al weet ik dat ik deze hitte vandaag niet had getrokken, ik baal er wel van dat ik niet al fietsend over deze schitterende route kon…

Dan nog even een rondleiding door ons tentenkamp. We slapen met twee personen in een tent. In mijn tent zijn elke dag twee gammele veldbedden te vinden, net als roomie Sophie, onze tassenchaos en op het bed een matras. Nou ja, matrasJE. Net als de eettent, de tafels en stoelen, de toiletten en douchen worden onze tenten en bedden elke dag afgebroken, ingeladen in de bus, vervoerd naar het volgende kamp en weer opgebouwd. Wat een respect voor die jongens, want niet alleen gaan ze pas veel later naar bed dan wij, ze staan ook alweer eerder op en zijn de hele dag bezig met sjouwen, tenten afbreken en weer opbouwen, zorgen dat er licht en elektriciteit is (op een manier waarvan wij bang zouden zijn geëlektrocuteerd te worden), dat er water is voor de “douches” en dat er zelfs nog een colaatje en biertje voor ons klaar staat. Echt comfortabel kun je ons leventje niet noemen, maar dat komt zeker niet door het gebrek aan inzet van deze jongens. Wat een harde werkers!

Dag 2: deceptie

Dag twee begint goed. Lekker rustig aan, een weg waar je niet zo hoeft op te letten op gaten of mul zand én een weg die licht naar beneden loopt. Samen met Teun voer ik de meute aan en trappen we de eerste kilometers ontzettend makkelijk weg. De eerste stop is niet de koffiestop op 30 kilometer, maar de zebra-stop op 20 kilometer. Wat een mooie en bijzondere beesten!! Het is ook op deze weg dat we een heleboel kaketoe’s en roofvogels zien. Indrukwekkend en wat is dat genieten.

Na een kop thee en een lekkere droge koek, stap ik al snel weer op de fiets. Na het zebra spotten én een lekke band ben ik mijn fijne groepje namelijk uit het oog verloren en nu kan ik weer aanhaken. Het eerste half uur fiets ik lekker met hen op, maar al snel merk ik dat ik het tempo niet meer kan bijhouden. Dus, verder op m’n eigen tempo. Als ik op een lange rode zandweg kom, die ellenlang door lijkt te lopen tot onderaan een berg, ben ik meer bezig met het vinden van een schaduwplekje dan met het fietsen. Dit plekje vind ik en ik ga rustig zitten om de rest van de groep te filmen. Waar Ernst gisteren toen ik ergens stond te filmen riep “dat is geen excuus om stil te staan!”, is het dat nu dus wel degelijk. Als zo’n beetje de laatste groep langs komt, weet ik dat ik weer in de benen moest komen. Dat lukt, maar met moeite. De weg gaat op een gegeven over in een geweldig MTB-pad. Niet dat ik er van kan genieten, want ik heb niet de energie en kracht om te balanceren en te voorkomen dat ik in de geulen terecht kom. Dat wordt dus wandelen. Wandelen tot ik bij de rest van de groep kom, die onder een mooie boom in de schaduw zit.

Fiets aan de kant, leunen tegen de boom en eigenlijk niks meer kunnen. Hannie vraagt hoe het met me gaat en huilend komt er uit “ik ben moe, zó moe”. Na de 30-urige vlucht, de te korte nachten in het hotel (door onrust in mezelf én door een te late briefing), de heftige inspanning van gisteren gevolgd door wederom een korte nacht… ik trek de hitte echt niet meer. Het voelt alsof alle energie uit me weg geslurpt wordt, alsof de stekker er uit getrokken is. Ik zijg neer onder de boom en voel me verslagen, net als Marc die ligt en ontzettend misselijk is. Hannie probeert ons te overtuigen dat het ook leuk moet blijven, dat we na alle energie en inzet, al vóór Kenia, hier ook zijn om te genieten, dat er hierna nóg zeven dagen komen, oftewel dat in de bezemwagen stappen een ontzettend goed idee is. Ook komt er nog een vlindertje bij me zitten. “Om je op te beuren” zegt Hannie. Voor mij het teken dat Hannie gelijk heeft en ik er vrede mee mag hebben als ik in de jeep stap. Maar toch, toch vinden Marc en ik dat niet. Nadat we wel een half uur onder die boom hebben gezeten, gaan we samen met Paul en Hannie verder.

We komen op een bergpad, een pad waar mijn MTB-hart keihard van zou moeten bonken, maar dat niet doet. Ik heb het te zwaar, val om in het mulle zand, we moeten vaak lopen en staan té vaak stil om te schuilen in de schaduw. Marc trekt het op een gegeven moment echt niet meer en stapt in de bezemwagen. Hannie is al door en samen met Paul ben ik vastbesloten de lunch te halen. Nog geen kilometer verder echter, heb ik een lekke band, knapt er iets van binnen en is de vechtlust weg. Ik kan echt niet meer en kruip verslagen naast Marc in de jeep.

We zijn al snel bij de lunchstop, waar mensen vragen hoe het gaat. Weer komen de tranen als ik vertel dat ik ben afgestapt en net uit de jeep kom. Hellen geeft me een dikke knuffel en Bertie is het die een glimlach op m’n gezicht weet te toveren. “Wat ontzettend mooi dat mensen hier zó door geraakt worden, daar heb ik dus helemaal geen last van.”

De rest van de dag zit ik in de jeep die op de groep vooruit gaat. Stukken rijden, geinen met de rest, de route uitzetten, water geven aan de fietsers en weer een beetje bijkomen. Dit gaat zo door tot er haast gemaakt moet worden om op het kamp te komen. Net als gisteren zijn er veel mensen afgevallen en de jeeps zitten vol. Ze moeten ons afzetten en dan terug naar de rest. We zitten namelijk nog zo ver van het kamp dat ze er niet op vertrouwen dat de fietsers voor het donker over zijn. We zitten écht in the middle of nowhere, echte wegen zijn er niet meer, de wegen die op de GPS staan zijn in het regenseizoen weggespoeld en er is geen bereik. We lijken rond te dwalen, maar onze chauffeur, Eric, laat zien dat ie zo in Parijs-Dakar mee zou kunnen doen en straalt gelukkig uit dat hij wel weet waar we zijn, dat het goed komt. En dat komt het, want op het kamp komen we.

Daar aangekomen worden de jeeps zo snel als we kunnen leeggehaald (die zaten niet alleen vol met ons, maar ook met onze bagage en beladen met onze fietsen). Jeeps terug en wij gaan maar vast wat banden plakken. Tot het donker wordt en de bezorgdheid de kop op steekt. We hebben namelijk zelf gezien waar er gefietst moet worden, hoe makkelijk je kan verdwalen, dat er géén bereik is… we vinden het maar niks. De jongens op het kamp blijven gelukkig kalm en na veel wachten en wachten, de bezorgdheid bij elkaar proberen weg te praten, nog eens proberen te bellen, tevergeefs, en nog eens vragen of ze iedereen echt bij elkaar hebben, komt daar dan eindelijk een teken van fietsers. Ver na negenen is het, maar ze zitten nog op de fiets! Hoe ze het gedaan hebben snappen we niet, maar wat een opluchting…

Dat we zo niet verder kunnen is duidelijk. Niet alleen zijn er maar vijf mensen die beide etappes ‘overleefd’ hebben, ook zijn er na vandaag meer dan 70 lekke banden. De meeste fietsers zouden morgen dus niet eens op de fiets kunnen, omdat er simpelweg geen tijd is om de banden geplakt te krijgen. Dus wordt het besluit: de mensen die de 750km nog kunnen halen gaan morgen fietsen, de rest krijgt een rustdag, met een bandenplaksessie en een busreis. Kort, maar krachtig en iedereen legt zich er dan ook bij neer. Niet wat we willen, maar we weten allemaal dat het niet anders kan.

Ik help nog even om de fietsen van de groep van vijf in orde te maken, om te zorgen dat zij goede banden mee hebben en steek ze nog een motiverend briefje toe. Dan toch eindelijk maar slapen, de dag snel vergeten en morgen proberen uit te slapen. Het voelt als een deceptie, want na morgen heb ik dus nog maar anderhalve dag van de drie gefietst. Dat is absoluut niet waar ik zo voor getraind heb en negen maanden naar toe heb geleefd: ik baal.

p.s. hoe anders kunnen mensen zich voelen… zie hier het verslag van Mirjam over deze dag: http://mirjamfietstvoorwater.waarbenjij.nu/reisverslag/4802015/de-tweede-dag

p.p.s. voor de Strava-liefhebbers, hier de dag van vandaag: https://www.strava.com/activities/255672581

Dag 1: afvalrace

Yes, het is eindelijk zover!! Vandaag, zaterdag 31 januari 2015, zullen de eerste 93 km’s gefietst worden. Het begint als een schoolreisje, want de start ligt 30 km van ons luxueuze Kaskazi Beach hotel in Ukunda en daar worden we met de bus naar toe gereden. Aangekomen bij de start wordt er nog snel geplast én wordt er, uiteraard, een groepsfoto gemaakt.

De afspraak voor deze eerste dag is dat we als groep bij elkaar blijven, maar al in de eerste kilometers blijkt dit onhaalbaar. Vanaf het begin zitten er klimmetjes in het parcours en de krachtsverschillen binnen de groep zijn te groot om met z’n allen bijeen te blijven. De oplossing hiervoor is op elkaar wachten, maar ook dat blijkt al snel niet meer te werken. Rond 11 uur is het namelijk warm, écht warm. Zelf heb ik er niet echt last van, maar toch vind ik mezelf in de berm. Mensen zijn bevangen door de hitte en in de schaduw van een boom wacht ik met ze op de achterste jeep, de bezemwagen. In plaats van samen te genieten op de fiets worden er tranen van teleurstelling en onmacht vergoten. Bij de koffiestop op 30 km blijkt dat datgene waar we ons niet op konden voorbereiden, de warmte, al 8 mensen teveel is geworden. ACHT! Een kwart van de groep! Dat is niet wat we verwacht hadden.

Ergens in de achterhoede fiets ik rustig door. Ik voel me goed, geniet van het fietsen en van de groene omgeving. Als ik in een dorpje aankom vind ik iedereen schuilend in de schaduw. En moedeloos. Het is niet alleen heel warm, door de vele uitvallers én doordat we met z’n allen nog op zoek zijn naar een goed werkend ritme (Wanneer zijn de pauzes? Hoe werkt de GPS met de route? Hoe wordt deze route voor ons fietsers uitgezet?) is de voorste groep verkeerd gefietst. Of eigenlijk, ze fietsten goed, maar werden teruggehaald en een andere kant op gestuurd. Tot ze weer teruggehaald werden en duidelijk werd dat ze allereerst wél goed zaten. Ik ga rustig bij een groepje zitten, want natuurlijk heb ik het ook warm. Na een kwartiertje maak ik aanstalten om weg te gaan en willen mensen met me mee. Als ik echter daadwerkelijk wil gaan, blijven ze zitten. Het lood lijkt ze in de schoenen te zitten. Dan maar alleen door, want blijven zitten brengt je ook niet verder.

Een paar minuten later ben ik aan het klimmen over een rode zandweg, op het heetst van de dag, zonder beschutting en met niemand om mee heen. Ik begin me nu toch wel af te vragen waar we in vredesnaam aan begonnen zijn. Dat kan toch niet de bedoeling zijn zo? Na weer een paar kilometer komt een jeep me voorbij die aangeeft dat we gaan lunchen onder die grote boom, bovenaan de klim. Daar druppelt langzaam de rest van de groep binnen, met helaas weer wat minder mensen op de fiets en meer in de bezemwagen.

Er is nog altijd een grote groep die door wil, en ik hoor daar bij. De middag is het vooral een strijd tegen de hitte. Eentje waarbij ik meerdere keren tegen de misselijkheid aanzit. Het wordt daarom fietsen in blokken van een half uur – drie kwartier, net zo lang als het lichaam aangeeft dat het nog wil, om dan af te koelen in de schaduw, goed te drinken, wat te eten en te wachten tot Ernst langs komt om me weer de fiets op te jagen.

Richting het eind van de middag stuitten Teun, Erik, Ernst en ik op een klein winkeltje, naar het lijkt in the middle of nowhere. Teun komt met het idee daar een colaatje te kopen. Fantastisch idee, want niet alleen kosten ze slechts €0,30 ook knappen we er wat van op, van die suikershot. Vanaf toen wist ik dat het ging lukken, het begon namelijk wat koeler te worden. Wel werd het vanaf toen een solo-rit, want ik kon Teun en Ernst niet bijhouden en mijn tempo lag weer boven dat van Erik en de anderen die zich inmiddels bij ons hadden aangesloten. Die laatste anderhalf uur heb ik dus alleen afgelegd, een rit waar ik op een gegeven moment chagrijnig en emotioneel werd en toen aan een ritje met de Aloha-dames moest denken waar Carmen dat voorbeeld gaf. Wat je dan moet doen? ETEN! Dus ik grabbelde een reepje naar boven, at wat, dronk wat en ging door. Al snel merkte ik dat ik weer happy was en met een glimlach zat te genieten van de Afrikaanse zonsondergang. Het duurde en duurde, maar uiteindelijk kwam een van de jeeps terugrijden vanaf het kamp. Om te kijken hoe het met mij en de andere overblijvers ging én met het nieuws dat ik nog maar 5 km had te gaan. Het ging dus écht lukken! Net voordat het donker werd was ik binnen, met een heus ontvangstcomité dat me als een held binnenhaalde. Iets wat ik daarna ook kon doen voor de overige binnenkomers.

In totaal hebben 16 van de 34 mensen de finish gehaald. Dat was absoluut niet hoe we het voor ons zagen. Als ik echter zie hoe we als groep bij die finishstreep gingen staan, hoe de mensen die overdag in de jeep zaten weer enthousiast werden en de anderen gingen helpen en aanmoedigen, hoe er nog gelachen en gegeind kon worden… Dan komt het wel goed met ons. Misschien halen we niet allemaal de vooraf geplande 750 kilometer, we doen er wel ons stinkende best voor!

p.s. hier mijn Strava-update van dag 1: https://www.strava.com/activities/255672290